vrijdag 14 februari 2020

Derivatieven, wat zijn dat en bewaar je ze of niet?


Het eerste DAM book for photographers van Peter Krogh was een belangrijke inspiratiebron voor me toen ik digitaal ging fotograferen en mijn digitale omgeving moest inrichten. Een onderwerp echter waar ik lang moeite mee heb gehad om volledig te doorgronden was ‘derivatieven’ of ‘afgeleiden’ in het Nederlands. De naam zegt natuurlijk al wel iets over de aard van dit soort bestanden maar toch ook weer niet genoeg. Je kunt er namelijk vanuit verschillende perspectieven naar kijken:

Perspectief 1 Gebruik

Als je een foto hebt gemaakt in RAW dan kun je daar in het dagelijks gebruik maar beperkt iets mee. Wanneer je de foto wilt delen met iemand anders dan doe je dat meestal als JPG bijvoorbeeld. Wil je de foto op een website plaatsen dan gebruik je wellicht PNG en zorg je ervoor dat hij niet te groot is. Dit zorgt ervoor dat de foto sneller zichtbaar wordt op de computer of telefoon van de bezoeker. Door het kleine formaat is hij bovendien minder interessant om te stelen, vooral wanneer de foto daarnaast voorzien is van een watermerk. Wanneer je een foto wilt (laten) afdrukken dan vraagt dit juist weer wat andere ingrepen om de uiteindelijke afdruk er zo optimaal mogelijk uit te laten zien. Kortom, voordat je het in de gaten hebt, heb je diverse varianten en versies van dezelfde foto. Heel vaak zul je deze afgeleide bestanden niet hoeven te bewaren en te beheren omdat je ze heel snel opnieuw kunt maken wanneer je ze weer eens nodig hebt. Eerder verdedidgde ik dit standpunt al eens in dit artikel ‘Minimaliseer afgeleide bestanden’.

Perspectief 2 Beheer

Als je een foto hebt gemaakt in RAW dan is dat een ‘plat’ bestand die eerst nog moet worden ‘ontwikkeld’. De basis ontwikkelzaken kun je vaak doen met het programma waarmee je je foto’s beheert maar wanneer je iets specifieks wil moet je vaak uitstapjes maken naar programma’s als Photoshop. Op dat moment creëer je een nieuw bestand omdat het originele RAW bestand niet aangeraakt zal worden door het betreffende programma. Non-destructive editing wordt dit principe genoemd en vrijwel alle programma’s die met RAW bestanden kunnen werken, hanteren dit principe. Het originele bestand wordt niet bewerkt maar een afgeleide ervan, vaak in TIF formaat.

Vaak zul je de nodige tijd hebben gestoken in dit soort specifieke bewerking en daarom zul je het nieuwe bestand dan waarschijnlijk ook willen bewaren. Deze afgeleide bestanden zou ik dan wel weer toevoegen aan je catalogus. In de naamgeving van het bestand kun je duidelijk maken waarom het gaat hoewel ik de oorspronkelijk naam er zelf altijd deel van uit laat maken (voorbeeld: RM_20200207_155240_MASTER.TIF).

Toen ik net begon met digitaal fotograferen was dat in JPG. Later, toen ik kennis maakte met RAW ging ik fotograferen in RAW+JPG omdat ik het oude nog niet echt los durfde te laten. Na de overstap naar alleen fotograferen in RAW bleef ik al m’n foto’s aan het eind van m’n workflow (zie stap 17 in dit artikel) omzetten naar JPG omdat ik er om de één of andere reden vanuit ging dat dat het beoogde eindproduct moest zijn. Nu weet ik dus beter en ben ik er een stuk selectiever in geworden.